
zaterdag 22 mei 2010
donderdag 20 mei 2010
maandag 17 mei 2010
zondag 9 mei 2010
Vanavond niet schat, ik heb hoofdpijn!
Het klinkt misschien een beetje vreemd, maar in dit artikel vertel ik jullie iets meer over de “over het algemeen” zeer goede kweekresultaten onder de parkietensoorten bij ons en onze noorderburen. Velen onder ons herkennen deze bekende spreuk: “Vanavond niet schat, ik heb hoofdpijn.” Voor sommigen een pijnlijke confrontatie en voor anderen een opluchting. We gaan het jammer genoeg niet hebben over het “vogelen” bij de mens, maar om te begrijpen wat er in het kopje van zo’n vogel omgaat, moeten we eerst eens een kijkje nemen bij de mens.
Soms zie je wel eens een oud boertje lopen die op een wilgentak zit te bijten. Waarom doet die boer dat, zult u zich misschien wel al eens afgevraagd hebben? Het is duidelijk, deze man heeft hoofdpijn. En in een wilgentak zit juist dezelfde stof als in hoofdpijntabletten, maar dan op een natuurlijke wijze. En ook al eet die boer een hele boom op, wordt hij er niet ziek van. Hij zal enkel een beetje last hebben van de maag, maar zijn hoofdpijn zal verdwenen zijn. Eet hij daarentegen een hele doos vol aspirines op, voelt hij zich ’s avonds toch knap beroerd. De chemische stof salicylzuur vind je in de schors van jonge takken of twijgjes. In de Latijnse naam van deze boom “Salix”, vinden we de afkomst van de vreemde naam van deze stof Salicyne genaamd. Salicyne of salicylzuur is een carbonzuur dat je vindt in de natuur. De bekendste en eenvoudigste carbonzuren zijn mierenzuur en azijnzuur.
Het dus van oorsprong volstrekt natuurlijke salicylzuur werkt ontstekingswerend, pijnstillend en vooral stofwisselingsbevorderend. Eén en ander komt de conditie van vogels die na een winterse rustperiode op de kweek worden voorbereid ten goede. Niet zonder reden dat sommige vogelkwekers vanaf begin maart gedurende een tweetal weken dagelijks verse wilgenknoppen aan onze grote goudvinken verschaffen. Op dat ogenblik blijken onze goudvinken er ook verslingerd op. Om al te grote laxeringsverschijnselen te vermijden, wordt de dagelijkse gift van wilgenknoppen dan ook gerantsoeneerd. Verstrekking van salicylzuur via wilgenknoppen opent nog eens zo vlug de klieren van de kweekvogels en verhoogt de hormonaalreflex. Reeds na een paar dagen is steeds het effect daarvan op de verhoogde stofwisseling bij onze goudvinken te bemerken. Zij zijn op een mum van tijd zeer alert en driftig. Blakend van vitaliteit en activiteit. Deze wilgenknoppen zijn een lekkernij voor wildzang en ze bevorderen ook nog eens hun kweekgedrag en van koppijn is geen sprake. Ongerustheid omtrent het effect van salicylzuur in de wilg is dus geenszins nodig. Wilg is niet giftig en zal vogels die wilgenbast (wilgenschors) of wilgenknoppen opnemen geen kwalijke effecten bezorgen. Het tegendeel is eerder waar.
Wat hebben parkieten hier nu in godsnaam mee te maken?
We denken even na over welk nestmateriaal vaak gebruikt wordt bij het kweken van parkieten. Het meest gebruikte materiaal zijn wilgentakjes, waarvan de schors in fijne sliertjes wordt afgescheurd. De vogel stopt deze sliertjes of strookjes in haar stuitbevedering en brengt ze vervolgens het nest in. Van hoofdpijn is er dus geen sprake, want de vogels spelen tijdens hun werk ook veel salicylzuur naar binnen. “Vanavond niet schat, want ik heb hoofdpijn” is dus bij parkieten geen excuus. Zo bewijzen ook de halsbandparkieten die met zo’n 5000-tal rondvliegen in het centrum van Brussel. In 1974 werden in het Brusselse Jubelpark een aantal parkieten losgelaten. De vogels verspreidden zich snel over Brussel, en het eerste broedgeval buiten Plopsaland (het vroegere Melipark) dateert uit 1975. In 1984 telde men 250 vogels, in 1988 waren het er al 500 en recent (2005) wordt de populatie op 7000 (data AVES, België) vogels geschat. De gemeenschappelijke slaapplaats van de halsbandparkieten bevindt zich al sinds 1992 op het terrein van het NAVO hoofdkwartier te Evere, maar sinds 2003 is er een tweede slaapplaats in het Elisabethpark te Koekelberg. Zoals bijna alle parkieten zijn het holenbroeders die meestal oude nesten van spechten gebruiken, maar in zachte houtsoorten (naaldbomen) kunnen ze zelf een nesthol uitknagen. Toch verkiezen halsbandparkieten, ondanks dit een harde houtsoort is, de wilg (soms ook de es). Ook hun nestmateriaal komt voornamelijk van de wilg. Het is duidelijk dat hetgeen wij voor onze vogels kiezen als nestmateriaal, zij zelf ook verkiezen om zijn reeds verklaarbare redenen. De halsbandparkieten hebben zich fantastisch aangepast aan onze omgeving en klimaat. Zodanig dat de kweekresultaten in vergelijking veel beter liggen dan in hun oorspronkelijke omgeving (tropisch Afrika en Zuid-Azië). De theorie “Survival of the fittest” is op het lijf van dit vogeltje geschreven. Wie weet ontstaat er ooit nog een nieuwe soort halsbandparkiet die optimaal in ons klimaat overleeft.
Copyright: Van Duyse Olivier
Alle artikels mogen gedeeltelijk of volledig gebruikt worden mits toestemming en vermelding van de auteur
Soms zie je wel eens een oud boertje lopen die op een wilgentak zit te bijten. Waarom doet die boer dat, zult u zich misschien wel al eens afgevraagd hebben? Het is duidelijk, deze man heeft hoofdpijn. En in een wilgentak zit juist dezelfde stof als in hoofdpijntabletten, maar dan op een natuurlijke wijze. En ook al eet die boer een hele boom op, wordt hij er niet ziek van. Hij zal enkel een beetje last hebben van de maag, maar zijn hoofdpijn zal verdwenen zijn. Eet hij daarentegen een hele doos vol aspirines op, voelt hij zich ’s avonds toch knap beroerd. De chemische stof salicylzuur vind je in de schors van jonge takken of twijgjes. In de Latijnse naam van deze boom “Salix”, vinden we de afkomst van de vreemde naam van deze stof Salicyne genaamd. Salicyne of salicylzuur is een carbonzuur dat je vindt in de natuur. De bekendste en eenvoudigste carbonzuren zijn mierenzuur en azijnzuur.
Het dus van oorsprong volstrekt natuurlijke salicylzuur werkt ontstekingswerend, pijnstillend en vooral stofwisselingsbevorderend. Eén en ander komt de conditie van vogels die na een winterse rustperiode op de kweek worden voorbereid ten goede. Niet zonder reden dat sommige vogelkwekers vanaf begin maart gedurende een tweetal weken dagelijks verse wilgenknoppen aan onze grote goudvinken verschaffen. Op dat ogenblik blijken onze goudvinken er ook verslingerd op. Om al te grote laxeringsverschijnselen te vermijden, wordt de dagelijkse gift van wilgenknoppen dan ook gerantsoeneerd. Verstrekking van salicylzuur via wilgenknoppen opent nog eens zo vlug de klieren van de kweekvogels en verhoogt de hormonaalreflex. Reeds na een paar dagen is steeds het effect daarvan op de verhoogde stofwisseling bij onze goudvinken te bemerken. Zij zijn op een mum van tijd zeer alert en driftig. Blakend van vitaliteit en activiteit. Deze wilgenknoppen zijn een lekkernij voor wildzang en ze bevorderen ook nog eens hun kweekgedrag en van koppijn is geen sprake. Ongerustheid omtrent het effect van salicylzuur in de wilg is dus geenszins nodig. Wilg is niet giftig en zal vogels die wilgenbast (wilgenschors) of wilgenknoppen opnemen geen kwalijke effecten bezorgen. Het tegendeel is eerder waar.
Wat hebben parkieten hier nu in godsnaam mee te maken?
We denken even na over welk nestmateriaal vaak gebruikt wordt bij het kweken van parkieten. Het meest gebruikte materiaal zijn wilgentakjes, waarvan de schors in fijne sliertjes wordt afgescheurd. De vogel stopt deze sliertjes of strookjes in haar stuitbevedering en brengt ze vervolgens het nest in. Van hoofdpijn is er dus geen sprake, want de vogels spelen tijdens hun werk ook veel salicylzuur naar binnen. “Vanavond niet schat, want ik heb hoofdpijn” is dus bij parkieten geen excuus. Zo bewijzen ook de halsbandparkieten die met zo’n 5000-tal rondvliegen in het centrum van Brussel. In 1974 werden in het Brusselse Jubelpark een aantal parkieten losgelaten. De vogels verspreidden zich snel over Brussel, en het eerste broedgeval buiten Plopsaland (het vroegere Melipark) dateert uit 1975. In 1984 telde men 250 vogels, in 1988 waren het er al 500 en recent (2005) wordt de populatie op 7000 (data AVES, België) vogels geschat. De gemeenschappelijke slaapplaats van de halsbandparkieten bevindt zich al sinds 1992 op het terrein van het NAVO hoofdkwartier te Evere, maar sinds 2003 is er een tweede slaapplaats in het Elisabethpark te Koekelberg. Zoals bijna alle parkieten zijn het holenbroeders die meestal oude nesten van spechten gebruiken, maar in zachte houtsoorten (naaldbomen) kunnen ze zelf een nesthol uitknagen. Toch verkiezen halsbandparkieten, ondanks dit een harde houtsoort is, de wilg (soms ook de es). Ook hun nestmateriaal komt voornamelijk van de wilg. Het is duidelijk dat hetgeen wij voor onze vogels kiezen als nestmateriaal, zij zelf ook verkiezen om zijn reeds verklaarbare redenen. De halsbandparkieten hebben zich fantastisch aangepast aan onze omgeving en klimaat. Zodanig dat de kweekresultaten in vergelijking veel beter liggen dan in hun oorspronkelijke omgeving (tropisch Afrika en Zuid-Azië). De theorie “Survival of the fittest” is op het lijf van dit vogeltje geschreven. Wie weet ontstaat er ooit nog een nieuwe soort halsbandparkiet die optimaal in ons klimaat overleeft.
Copyright: Van Duyse Olivier
Alle artikels mogen gedeeltelijk of volledig gebruikt worden mits toestemming en vermelding van de auteur
Trosgierst is essentieel, maar waarom?
Dat trosgierst essentieel is weet iedereen, maar “de waarom” blijft vaak onbeantwoord. Laten we eerst eens een kijkje nemen in het hartje van deze graansoort. We nemen trosgierst dus eens letterlijk onder de loep. Een korreltje trosgierst bestaat uit de volgende delen:
Het kaf - het oneetbare omhulsel waar de graankorrel - tijdens de groei aan de aar - in 'verpakt' is.
De zemel - het velletje dat om de graankorrel zit noemen we de zemel. De zemel is opgebouwd uit meerdere, met elkaar vergroeide lagen en bestaat voor het grootste deel uit vezelstof. Bij rijst wordt de zemel het zilvervlies genoemd. In de zemel zit het meellichaam (endosperm).
Het meellichaam - bestaat uit zetmeel (het grootste deel) en eiwit, afhankelijk van de graansoort kan een deel van de eiwitten of proteïnen die in (en rondom) het meellichaam zitten, uit stoffen bestaan die tijdens het kneden van deeg gluten vormen. Deze stoffen zijn voor het grootste deel aminozuren. Er kunnen ook nog sporenelementen aanwezig zijn zoals ijzer.
Gluten zijn nodig om deeg met gist - o.a. brooddeeg - te laten rijzen (ze houden het gas vast dat door de gist geproduceerd wordt).
De kiem - in het meellichaam zit de kiem. De kiem is het deel van de korrel van waaruit een nieuwe plant groeit.
Nu we een beter inzicht gekregen hebben in de opbouw van zo’n graankorrel, kunnen we aan het moeilijkere werk beginnen. We gaan het hebben over de stoffen die deze graansoort zo essentieel maken. Veel mensen onder de vogelliefhebbers zijn een fervent gebruiker van trosgierst voor hun vogels. En iedereen is het er mee eens, trosgierst is heel goed voor onze vogels. Maar het is niet omdat wij zeggen dat het goed is, dat dit ook het geval is. Het zijn de vele stoffen die ervoor zorgen dat trosgierst bijna noodzakelijk is voor vogels. Bij geknede of vermalen trosgierst (bij vogels gebeurt dit in de snavel) komen de meeste stoffen vrij. Aminozuren zijn bij trosgierst in de meerderheid. Het zijn dus deze aminozuren die we moeten analyseren.
Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren. Aminozuren kunnen worden onderverdeeld naar een bepaalde waarde die ze voor de vogel hebben. Zo zijn er dus drie grote groepen aminozuren. De eerste groep zijn de niet-noodzakelijke aminozuren. Deze kunnen door de vogel zelf aangemaakt worden. De tweede groep zijn de voorwaardelijk noodzakelijke aminozuren. Deze moeten alleen in bepaalde omstandigheden meer in het voer aanwezig zijn of gewoon aanwezig zijn. De laatste groep zijn de noodzakelijke (essentiële) aminozuren. Deze kunnen niet door de vogel worden aangemaakt en moeten dus in het voedsel aanwezig zijn. Voor de vorming van lichaamseiwit zijn ongeveer 20 aminozuren nodig. Daarvan kan de vogel er 10 niet aanmaken; deze moeten via het voedsel worden opgenomen. Als er tijdens de opbouw van lichaamseiwit één van deze aminozuren in onvoldoende hoeveelheid aanwezig (beschikbaar) is, vermindert dit de opbouw van het lichaamseiwit. Slechts wanneer het desbetreffende aminozuur weer beschikbaar is, kan het lichaamseiwit weer opgebouwd worden. Het aminozuur, dat het eerste in het minimum verkeert, wordt het eerste limiterende aminozuur genoemd. Een tekort aan het eerste limiterende aminozuur is de belangrijkste oorzaak van trage groei, stokrui en misschien ook kruiperziekte.
De 10 noodzakelijke aminozuren zijn: arginine, histidine, isoleucine, leucine, lysine, methionine, fenylaline, threonine, tryptophaan, valine. Leucine en lysine zijn meestal de eerste limiterende aminozuren. Een tekort aan deze aminozuren tijdens de rui veroorzaakt vaak slechte veervorming, gedraaide veren en veren die weinig of geen pigment bevatten. Vreemd genoeg spreken deze twee noodzakelijk aminozuren zich vaak tegen. Want zaadmengsels zijn rijk aan leucine, maar arm aan lysine en omgekeerd. De ideale oplossing is dus een combinatie van beide . Trosgierst is belangrijk omwille van zijn hoge waarde leucine, maar mist 4 andere noodzakelijke aminozuren nl.: cystine, tyrosine, de combinatorische aminozuren (die zijn in dit geval verbonden aan elkaar) methionine + cystine en fenylalanine + tyrosine. Vogels zijn vooral verzot op trosgierst omdat ze gemakkelijk ontdoppen. Er zijn trouwens nog zaadsoorten die enkele noodzakelijke aminozuren missen nl.: Paarlgierst, pluimgierst, kanariezaad, hennep, maanzaad en pompoenzaad. Wat niet wil zeggen dat je deze zaden niet meer hoeft te voederen. Ze missen misschien wel enkele essentiële aminozuren, maar deze worden gecompenseerd door hun hoge waarden aan andere aminozuren. Opvallend in de tabel is dat veren een hoge waarde aan leucine bevatten. Geen wonder dat vogels met een tekort aan aminozuren graag eens een veertje meepikken. De beste voeding is uiteraard een gevarieerde voeding. En de extraatjes die trosgierst met zich meebrengt om de groei van je vogels een handje te helpen mag zeker geen geheim zijn.
Copyright: Van Duyse Olivier
Alle artikels mogen gedeeltelijk of volledig gebruikt worden mits toestemming en vermelding van de auteur
Het kaf - het oneetbare omhulsel waar de graankorrel - tijdens de groei aan de aar - in 'verpakt' is.
De zemel - het velletje dat om de graankorrel zit noemen we de zemel. De zemel is opgebouwd uit meerdere, met elkaar vergroeide lagen en bestaat voor het grootste deel uit vezelstof. Bij rijst wordt de zemel het zilvervlies genoemd. In de zemel zit het meellichaam (endosperm).
Het meellichaam - bestaat uit zetmeel (het grootste deel) en eiwit, afhankelijk van de graansoort kan een deel van de eiwitten of proteïnen die in (en rondom) het meellichaam zitten, uit stoffen bestaan die tijdens het kneden van deeg gluten vormen. Deze stoffen zijn voor het grootste deel aminozuren. Er kunnen ook nog sporenelementen aanwezig zijn zoals ijzer.
Gluten zijn nodig om deeg met gist - o.a. brooddeeg - te laten rijzen (ze houden het gas vast dat door de gist geproduceerd wordt).
De kiem - in het meellichaam zit de kiem. De kiem is het deel van de korrel van waaruit een nieuwe plant groeit.
Nu we een beter inzicht gekregen hebben in de opbouw van zo’n graankorrel, kunnen we aan het moeilijkere werk beginnen. We gaan het hebben over de stoffen die deze graansoort zo essentieel maken. Veel mensen onder de vogelliefhebbers zijn een fervent gebruiker van trosgierst voor hun vogels. En iedereen is het er mee eens, trosgierst is heel goed voor onze vogels. Maar het is niet omdat wij zeggen dat het goed is, dat dit ook het geval is. Het zijn de vele stoffen die ervoor zorgen dat trosgierst bijna noodzakelijk is voor vogels. Bij geknede of vermalen trosgierst (bij vogels gebeurt dit in de snavel) komen de meeste stoffen vrij. Aminozuren zijn bij trosgierst in de meerderheid. Het zijn dus deze aminozuren die we moeten analyseren.
Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren. Aminozuren kunnen worden onderverdeeld naar een bepaalde waarde die ze voor de vogel hebben. Zo zijn er dus drie grote groepen aminozuren. De eerste groep zijn de niet-noodzakelijke aminozuren. Deze kunnen door de vogel zelf aangemaakt worden. De tweede groep zijn de voorwaardelijk noodzakelijke aminozuren. Deze moeten alleen in bepaalde omstandigheden meer in het voer aanwezig zijn of gewoon aanwezig zijn. De laatste groep zijn de noodzakelijke (essentiële) aminozuren. Deze kunnen niet door de vogel worden aangemaakt en moeten dus in het voedsel aanwezig zijn. Voor de vorming van lichaamseiwit zijn ongeveer 20 aminozuren nodig. Daarvan kan de vogel er 10 niet aanmaken; deze moeten via het voedsel worden opgenomen. Als er tijdens de opbouw van lichaamseiwit één van deze aminozuren in onvoldoende hoeveelheid aanwezig (beschikbaar) is, vermindert dit de opbouw van het lichaamseiwit. Slechts wanneer het desbetreffende aminozuur weer beschikbaar is, kan het lichaamseiwit weer opgebouwd worden. Het aminozuur, dat het eerste in het minimum verkeert, wordt het eerste limiterende aminozuur genoemd. Een tekort aan het eerste limiterende aminozuur is de belangrijkste oorzaak van trage groei, stokrui en misschien ook kruiperziekte.
De 10 noodzakelijke aminozuren zijn: arginine, histidine, isoleucine, leucine, lysine, methionine, fenylaline, threonine, tryptophaan, valine. Leucine en lysine zijn meestal de eerste limiterende aminozuren. Een tekort aan deze aminozuren tijdens de rui veroorzaakt vaak slechte veervorming, gedraaide veren en veren die weinig of geen pigment bevatten. Vreemd genoeg spreken deze twee noodzakelijk aminozuren zich vaak tegen. Want zaadmengsels zijn rijk aan leucine, maar arm aan lysine en omgekeerd. De ideale oplossing is dus een combinatie van beide . Trosgierst is belangrijk omwille van zijn hoge waarde leucine, maar mist 4 andere noodzakelijke aminozuren nl.: cystine, tyrosine, de combinatorische aminozuren (die zijn in dit geval verbonden aan elkaar) methionine + cystine en fenylalanine + tyrosine. Vogels zijn vooral verzot op trosgierst omdat ze gemakkelijk ontdoppen. Er zijn trouwens nog zaadsoorten die enkele noodzakelijke aminozuren missen nl.: Paarlgierst, pluimgierst, kanariezaad, hennep, maanzaad en pompoenzaad. Wat niet wil zeggen dat je deze zaden niet meer hoeft te voederen. Ze missen misschien wel enkele essentiële aminozuren, maar deze worden gecompenseerd door hun hoge waarden aan andere aminozuren. Opvallend in de tabel is dat veren een hoge waarde aan leucine bevatten. Geen wonder dat vogels met een tekort aan aminozuren graag eens een veertje meepikken. De beste voeding is uiteraard een gevarieerde voeding. En de extraatjes die trosgierst met zich meebrengt om de groei van je vogels een handje te helpen mag zeker geen geheim zijn.
Copyright: Van Duyse Olivier
Alle artikels mogen gedeeltelijk of volledig gebruikt worden mits toestemming en vermelding van de auteur
Hoe zit het nu eigenlijk met de vale gieren die ons land op 18 juni 2007 binnenvielen?
18 juni 2007 : Het leek wel een scène uit de beruchte Alfred Hitchcock thriller “The Birds”, toen de naar schatting 60 vale gieren hoog in de lucht in de regio Ursel op te merken waren. “Het leek wel een invasie”, vertelden sommige die rustig in hun tuin aan het genieten waren van het mooie weer. Zo kan het inderdaad wel lijken,
want deze reuzen zijn niets vergeleken met onze inheemse vogels. Hun vleugels hebben ongeveer een spanwijdte van 250 cm en hiermee is de vale gier één van de grootste vogels ter wereld. Het gewicht van een volwassen exemplaar bedraagt ongeveer 6 tot 10 kg. Deze aaseter, die tevens familie van de sperwer is, is zandkleurig tot donkerbruin van kleur. Enkel de kop en de hals zijn wit en weinig bepluimd. Door zijn lange nek zonder veren kan de gier zijn kop relatief ver in een kadaver steken zonder dat de veren blijven haken. Al vliegend is hij op zoek naar karkassen die worden opgespoord met zijn uitstekend gezichtsvermogen. Vale gieren foerageren in groepen, waarbij de dieren elkaar goed in de gaten houden. Als er één dier naar beneden vliegt, volgt de groep gewillig. De slagpennen zijn de dragende veren op de vleugels waarmee gevlogen kan worden. Door hun grote spanwijdte zijn ze afhankelijk van warme luchtstroom. Ze kunnen enkel vertrekken mits opstijgende warme lucht. Als het weer thermisch is, kunnen ze gemakkelijk op het einde van de dag terug in Zuid-Frankrijk zitten. Zolang het weer druilerig blijft, blijven ze aan de grond. De dieren leggen gemakkelijk honderden kilometers per dag af op zoek naar voedsel. België is dus niet echt een ideale verblijfplaats voor deze dieren.
Het was al sinds 10 maart 1996 geleden, volgens officiële waarnemingen, dat er nog een vale gier in België in het wild werd gespot. In Nederland daarentegen werd in 2003 een groep van 18 gieren opgemerkt. Wat brengt deze vale gieren noordoostwaarts? Eerst en vooral omdat het enige vasteland noordoostwaarts ligt en ze nooit een zee of oceaan oversteken. Ze zijn namelijk veel te afhankelijk van weersomstandigheden. De gieren zijn uiteraard niet voor niets van de Spaanse Pyreneeën naar hier gevlogen. Volgens een oud Noord-Spaanse traditie hadden boeren de toestemming hun dode dieren achter te laten op bepaalde afgesproken plaatsen in de omgeving van dorpen, ook wel de muladares genaamd. Zeven jaar geleden waren er nog zo’n 200 muladares waar boeren hun dode vee konden achterlaten. De gieren ruimden ze op en zowel de boer als het roofdier was tevreden. De voerplaatsen, die vaak eeuwenoud en herkenbaar zijn voor deze dieren, zijn nu bijna allemaal opgedoekt. De voor de gieren fatale Aragonese wet is een uitvloeisel van een aangescherpte Europese regelgeving inzake het voorkomen van besmettelijke veeziekten. Zonder enige vorm van inspraak of overleg met natuurorganisaties en de boeren, zijn de Europese directieven in Aragon vertaald in een regionale wet, die veel strenger is dan noodzakelijk. Het had best anders gekund, Europa laat daar ruimte voor. In dat geval moesten 4% van de kadavers die naar muladares gaan, getest worden op besmettelijke
veeziekten. Worden er geen veeziekten, zoals gekkekoeienziekte (BSE)aangetroffen,dan kunnen de voerplaatsen gewoon openblijven. Voor die aanpak is bijvoorbeeld gekozen in een andere Spaanse regio, Rioja. De deur voor de voerplaatsen is door Europa bewust op een kier gelaten, omdat de meeste aasetende roofvogels in Europa ernstig worden bedreigd. Naast vale gieren gaat het onder andere om aasgieren, lammergieren, rode en zwarte wouwen. Europa steekt miljoenen euro’s in programma’s voor bescherming en herintroductie van deze roofvogels. EU-wetgeving maakt het mogelijk voor de zuidelijke landen om kadavers in het veld te laten liggen voor de gieren. Er moet dan wel regelmatige controle op BSE plaatsvinden bij de levende dieren in dat gebied. Nu er in Aragon, de Spaanse provincie in de centrale Pyreneeën een voedseltekort is, moeten deze vogels lange zwerftochten maken op zoek naar voedsel. Ondanks deze vale gieren aaseters zijn, zijn er al verschillende meldingen geweest dat deze groep ook levende dieren zou aangevallen hebben. Volgens getuigen zouden zo’n honderd gieren erin geslaagd zijn een koe en haar kalf te doden. Toen de gieren in 2003 in Nederland gespot werden, waren er verschillende gevallen van aanvallen op jonge en zieke ooievaars. Volgens de autoriteiten in de provincie Burgos is er al maanden sprake van overlast door agressieve vogels, ze zouden zelfs mensen aangevallen hebben, maar deze verhaaltjes zou ik wel met een korreltje zout nemen. Een wanhoopspoging bracht deze dieren dus naar hier, maar met enkele dode kippen of konijnen kunnen deze 100-tal gieren hun honger niet stillen. Er zijn al enkele pogingen ondernomen om de dieren terug op kracht te brengen door bijvoorbeeld 200 kilogram varkensvlees neer te leggen op een weide aan het Neigembos in Ninove, daar ze werden verwacht over te vliegen. Helaas hapten ze niet toe en vervolgden hun lijdensweg richting Nederland. Als deze dieren hier zouden blijven zouden ze waarschijnlijk aan de hongerdood zijn gestorven. De laatste vale gieren werden in Nederland gespot op 13 augustus boven Hardenberg (Overijsel). Ondertussen zijn de meeste gieren reeds teruggekeerd naar hun habitat met alle gevolgen van dien. Er zijn observaties van door honger verzwakte vale gieren die niet eens meer kunnen vliegen en zich gemakkelijk laten vangen. Ze worden in vogelopvangcentra opgelapt. De vogels na het revalideren weer loslaten heeft op dit moment echter geen zin, gelet op de voedselschaarste. De wet wordt zeker en vast aangeklaagd, maar zo’n procedure is vaak langdurig en kan misschien al het einde betekenen voor sommige reeds verzwakte dieren.
Copyright: Van Duyse Olivier
Alle artikels mogen gedeeltelijk of volledig gebruikt worden mits toestemming en vermelding van de auteur
want deze reuzen zijn niets vergeleken met onze inheemse vogels. Hun vleugels hebben ongeveer een spanwijdte van 250 cm en hiermee is de vale gier één van de grootste vogels ter wereld. Het gewicht van een volwassen exemplaar bedraagt ongeveer 6 tot 10 kg. Deze aaseter, die tevens familie van de sperwer is, is zandkleurig tot donkerbruin van kleur. Enkel de kop en de hals zijn wit en weinig bepluimd. Door zijn lange nek zonder veren kan de gier zijn kop relatief ver in een kadaver steken zonder dat de veren blijven haken. Al vliegend is hij op zoek naar karkassen die worden opgespoord met zijn uitstekend gezichtsvermogen. Vale gieren foerageren in groepen, waarbij de dieren elkaar goed in de gaten houden. Als er één dier naar beneden vliegt, volgt de groep gewillig. De slagpennen zijn de dragende veren op de vleugels waarmee gevlogen kan worden. Door hun grote spanwijdte zijn ze afhankelijk van warme luchtstroom. Ze kunnen enkel vertrekken mits opstijgende warme lucht. Als het weer thermisch is, kunnen ze gemakkelijk op het einde van de dag terug in Zuid-Frankrijk zitten. Zolang het weer druilerig blijft, blijven ze aan de grond. De dieren leggen gemakkelijk honderden kilometers per dag af op zoek naar voedsel. België is dus niet echt een ideale verblijfplaats voor deze dieren.
Het was al sinds 10 maart 1996 geleden, volgens officiële waarnemingen, dat er nog een vale gier in België in het wild werd gespot. In Nederland daarentegen werd in 2003 een groep van 18 gieren opgemerkt. Wat brengt deze vale gieren noordoostwaarts? Eerst en vooral omdat het enige vasteland noordoostwaarts ligt en ze nooit een zee of oceaan oversteken. Ze zijn namelijk veel te afhankelijk van weersomstandigheden. De gieren zijn uiteraard niet voor niets van de Spaanse Pyreneeën naar hier gevlogen. Volgens een oud Noord-Spaanse traditie hadden boeren de toestemming hun dode dieren achter te laten op bepaalde afgesproken plaatsen in de omgeving van dorpen, ook wel de muladares genaamd. Zeven jaar geleden waren er nog zo’n 200 muladares waar boeren hun dode vee konden achterlaten. De gieren ruimden ze op en zowel de boer als het roofdier was tevreden. De voerplaatsen, die vaak eeuwenoud en herkenbaar zijn voor deze dieren, zijn nu bijna allemaal opgedoekt. De voor de gieren fatale Aragonese wet is een uitvloeisel van een aangescherpte Europese regelgeving inzake het voorkomen van besmettelijke veeziekten. Zonder enige vorm van inspraak of overleg met natuurorganisaties en de boeren, zijn de Europese directieven in Aragon vertaald in een regionale wet, die veel strenger is dan noodzakelijk. Het had best anders gekund, Europa laat daar ruimte voor. In dat geval moesten 4% van de kadavers die naar muladares gaan, getest worden op besmettelijke
veeziekten. Worden er geen veeziekten, zoals gekkekoeienziekte (BSE)aangetroffen,dan kunnen de voerplaatsen gewoon openblijven. Voor die aanpak is bijvoorbeeld gekozen in een andere Spaanse regio, Rioja. De deur voor de voerplaatsen is door Europa bewust op een kier gelaten, omdat de meeste aasetende roofvogels in Europa ernstig worden bedreigd. Naast vale gieren gaat het onder andere om aasgieren, lammergieren, rode en zwarte wouwen. Europa steekt miljoenen euro’s in programma’s voor bescherming en herintroductie van deze roofvogels. EU-wetgeving maakt het mogelijk voor de zuidelijke landen om kadavers in het veld te laten liggen voor de gieren. Er moet dan wel regelmatige controle op BSE plaatsvinden bij de levende dieren in dat gebied. Nu er in Aragon, de Spaanse provincie in de centrale Pyreneeën een voedseltekort is, moeten deze vogels lange zwerftochten maken op zoek naar voedsel. Ondanks deze vale gieren aaseters zijn, zijn er al verschillende meldingen geweest dat deze groep ook levende dieren zou aangevallen hebben. Volgens getuigen zouden zo’n honderd gieren erin geslaagd zijn een koe en haar kalf te doden. Toen de gieren in 2003 in Nederland gespot werden, waren er verschillende gevallen van aanvallen op jonge en zieke ooievaars. Volgens de autoriteiten in de provincie Burgos is er al maanden sprake van overlast door agressieve vogels, ze zouden zelfs mensen aangevallen hebben, maar deze verhaaltjes zou ik wel met een korreltje zout nemen. Een wanhoopspoging bracht deze dieren dus naar hier, maar met enkele dode kippen of konijnen kunnen deze 100-tal gieren hun honger niet stillen. Er zijn al enkele pogingen ondernomen om de dieren terug op kracht te brengen door bijvoorbeeld 200 kilogram varkensvlees neer te leggen op een weide aan het Neigembos in Ninove, daar ze werden verwacht over te vliegen. Helaas hapten ze niet toe en vervolgden hun lijdensweg richting Nederland. Als deze dieren hier zouden blijven zouden ze waarschijnlijk aan de hongerdood zijn gestorven. De laatste vale gieren werden in Nederland gespot op 13 augustus boven Hardenberg (Overijsel). Ondertussen zijn de meeste gieren reeds teruggekeerd naar hun habitat met alle gevolgen van dien. Er zijn observaties van door honger verzwakte vale gieren die niet eens meer kunnen vliegen en zich gemakkelijk laten vangen. Ze worden in vogelopvangcentra opgelapt. De vogels na het revalideren weer loslaten heeft op dit moment echter geen zin, gelet op de voedselschaarste. De wet wordt zeker en vast aangeklaagd, maar zo’n procedure is vaak langdurig en kan misschien al het einde betekenen voor sommige reeds verzwakte dieren.
Copyright: Van Duyse Olivier
Alle artikels mogen gedeeltelijk of volledig gebruikt worden mits toestemming en vermelding van de auteur
Waarom bestaan er zoveel verschillende kleuren van eieren?
Op de vraag, wat er eerst was, de kip of het ei, zijn de meningen nogal verspreid en lijkt het antwoord toch relatief eenvoudig. Geen van beide was er eerst. In alle waarschijnlijkheid moet er een dier, voor de albekende Acheopterix, geweest zijn die eieren legde, zoals de meeste amfibeën doen, bestaande uit een zachte schaal. Uiteraard gaat het hier helemaal niet over, het gaat hier over de kleuren van eieren.
Vogeleieren tonen een enorme verscheidenheid aan kleuren. Er bestaan witte, bruine, zwarte, groene, blauwachtige eieren, gespikkelde eieren en een combinatie van beide.
Alle kleuren hebben te maken met twee zaken, namelijk de evolutietheorie en het proces in de eileider. We gaan elk afzonderlijk bespreken en beginnen uiteraard met de evolutie.
Alle eieren hebben een evolutie gekend van een ei met zachte schaal tot een wit of blauwachtig ei met harde schaal. We kunnen dus stellen dat “het oerei” wit of blauwachtig was. Sommige vogelsoorten, die beschouwd worden als relatief primitief, zoals aalscholvers en pelikanen, hebben stand gehouden aan het bleke uniforme witte of blauwachtige ei. Waarschijnlijk omdat zij nooit nadelen hebben ondervonden bij deze uniforme kleur. Bij de meer geëvolueerde vogelsoorten, worden de ongemarkeerde witte eieren meestal gevonden bij holenbroeders, waar er dus geen behoefte is aan gecamoufleerde eieren. Toch zijn er sommige holenbroeders, zoals mezen, die wel gespikkelde eieren hebben. Vermoedelijk is dit een aanduiding dat ze vroeger wel nestelden in openlucht. Er zijn dan weer andere vogelsoorten met ongemarkeerde witte eieren die wel nesten in openlucht, zoals duiven, uilen en reigers. Dit omdat ze direct beginnen te broeden zodra het eerste ei gelegd is en verlaten hun eieren dus nooit. Eigenlijk wordt het ei instinctmatig wit gelaten of krijgt het een laagje verf, naar gelang de evolutie die de verschillende vogelsoorten hebben doorstaan. De volledige evolutietheorie is gebaseerd op overleven. De “struggle for live” of “Survival of the fittest” (overleven van de sterksten) volgens Charles Darwins theorie.
Hoe komt het nu dat sommige soorten zo’n prachtige “schilderijen” op hun eieren achterlaten? De bruine of gespikkelde kleuren zijn niet meer dan een soort verflaagje. Wil je dit eens testen? Neem dan eens een vers gelegd bruin kippenei en wrijf er eens hard met een schuursponsje over. Je zal zien dat het bruin er gewoon afkomt.
Alle kleuren worden afgezet in de eileider, de plaats dus waar het ei door vervoerd wordt. De beweging van het ei is van invloed op de verschillende kleurpatronen. Het is alsof talloze penselen stilstaan terwijl het doek beweegt. Vogels hebben de mogelijkheid om het ei langzaam door de eileider te laten bewegen en andere vogelsoorten kunnen het ei laten draaien zodat er plekjes of spikkels op het ei verschijnen. Over de bruine kleur en de spikkels is iedereen het eens. Dit bruine of gespikkelde pigment is een afbraakproduct van de rode bloedkleurstof hemoglobine dat geproduceerd wordt door de lever. Over de blauwachtige en groene kleuren is er nog twijfel. Sommige geleerden denken dat deze kleuren ook afgescheiden worden door de lever, terwijl andere geleerden denken dat het de gal is die deze kleuren produceren. Één ding is zeker, de natuur is een fantastische schilder, die er telkens in slaagt een uniek ei te produceren.
Wist je dat?
De man (de haan) de belangrijkste factor is die de eikleur bepaalt. Vooral kippenkwekers maken gebruik van deze techniek om zuivere raslijnen te behouden.
Copyright: Van Duyse Olivier
Alle artikels mogen gedeeltelijk of volledig gebruikt worden mits toestemming en vermelding van de auteur
Vogeleieren tonen een enorme verscheidenheid aan kleuren. Er bestaan witte, bruine, zwarte, groene, blauwachtige eieren, gespikkelde eieren en een combinatie van beide.
Alle kleuren hebben te maken met twee zaken, namelijk de evolutietheorie en het proces in de eileider. We gaan elk afzonderlijk bespreken en beginnen uiteraard met de evolutie.
Alle eieren hebben een evolutie gekend van een ei met zachte schaal tot een wit of blauwachtig ei met harde schaal. We kunnen dus stellen dat “het oerei” wit of blauwachtig was. Sommige vogelsoorten, die beschouwd worden als relatief primitief, zoals aalscholvers en pelikanen, hebben stand gehouden aan het bleke uniforme witte of blauwachtige ei. Waarschijnlijk omdat zij nooit nadelen hebben ondervonden bij deze uniforme kleur. Bij de meer geëvolueerde vogelsoorten, worden de ongemarkeerde witte eieren meestal gevonden bij holenbroeders, waar er dus geen behoefte is aan gecamoufleerde eieren. Toch zijn er sommige holenbroeders, zoals mezen, die wel gespikkelde eieren hebben. Vermoedelijk is dit een aanduiding dat ze vroeger wel nestelden in openlucht. Er zijn dan weer andere vogelsoorten met ongemarkeerde witte eieren die wel nesten in openlucht, zoals duiven, uilen en reigers. Dit omdat ze direct beginnen te broeden zodra het eerste ei gelegd is en verlaten hun eieren dus nooit. Eigenlijk wordt het ei instinctmatig wit gelaten of krijgt het een laagje verf, naar gelang de evolutie die de verschillende vogelsoorten hebben doorstaan. De volledige evolutietheorie is gebaseerd op overleven. De “struggle for live” of “Survival of the fittest” (overleven van de sterksten) volgens Charles Darwins theorie.
Hoe komt het nu dat sommige soorten zo’n prachtige “schilderijen” op hun eieren achterlaten? De bruine of gespikkelde kleuren zijn niet meer dan een soort verflaagje. Wil je dit eens testen? Neem dan eens een vers gelegd bruin kippenei en wrijf er eens hard met een schuursponsje over. Je zal zien dat het bruin er gewoon afkomt.
Alle kleuren worden afgezet in de eileider, de plaats dus waar het ei door vervoerd wordt. De beweging van het ei is van invloed op de verschillende kleurpatronen. Het is alsof talloze penselen stilstaan terwijl het doek beweegt. Vogels hebben de mogelijkheid om het ei langzaam door de eileider te laten bewegen en andere vogelsoorten kunnen het ei laten draaien zodat er plekjes of spikkels op het ei verschijnen. Over de bruine kleur en de spikkels is iedereen het eens. Dit bruine of gespikkelde pigment is een afbraakproduct van de rode bloedkleurstof hemoglobine dat geproduceerd wordt door de lever. Over de blauwachtige en groene kleuren is er nog twijfel. Sommige geleerden denken dat deze kleuren ook afgescheiden worden door de lever, terwijl andere geleerden denken dat het de gal is die deze kleuren produceren. Één ding is zeker, de natuur is een fantastische schilder, die er telkens in slaagt een uniek ei te produceren.
Wist je dat?
De man (de haan) de belangrijkste factor is die de eikleur bepaalt. Vooral kippenkwekers maken gebruik van deze techniek om zuivere raslijnen te behouden.
Copyright: Van Duyse Olivier
Alle artikels mogen gedeeltelijk of volledig gebruikt worden mits toestemming en vermelding van de auteur
Abonneren op:
Posts (Atom)
